Saltar cursos disponibles

Cursos disponibles

Aquí verás algunas cosas que te ayudarán a comprender mejor cuando comiences el curso cómo funcionan las reglas del holandés. Reglas generales de pronunciación, cómo son los verbos, diferencias entre del adjetivo en ambas lenguas.(Enlaces accesibles solo para las personas autorizadas a entrar en el curso)

Cursus voor Spaanstaligen die Nederlands willen leren

SaludosGroeten en jezelf voorstellen/Saludar y presentarse

Zeggen waar je vandaan komt/Informar de dónde somos

Werkwoorden /los verbos

De getallen /los números

  • Het vervolg (getallen)/ Continuación los números
  • De datum/ la fecha  Lidwoorden/Artículos  Het alfabet /El alfabeto
  • Het zelfstandig naamwoord/ El sustantivo

Naar een bepaalde plek vragen/preguntar cómo llegar a un lugar

Inlichtingen geven/dar información

Gebouwen en diensten leren/ instituciones y servicios

De klok/ El reloj       Voorzetsels / preposiciones

Gebruik maken van het vervoer/uso de los medios de transporte

Beroepen/ Profesiones

Aanwijzende voornaamwoorden/ Demostrativos

Voorkeuren uitdrukken/expresar preferencia

Levensmiddelenfrutas y vegetales

  • Eten, drinken en prijzen/Comida, bebidas y precios

  • Iets bestellen in een restaurant/Pedir algo en un restaurante

  • Zeggen hoe het eten smaakt/Decir si le gustó o no la comida

  • Eetgewoontes/Costumbres

Kleding, kleuren en materialen/ ropa, colores y materiales

  • Winkels en openingstijden/ tiendas y horarios
  • In een winkel kopen/ Comprar en una tienda
  • Ergens (niet) mee instemmen/ Estar o no de acuerdo con algo
  • Stoffen en materialen herkennen/ Reconocer tejidos y materiales 

Formeel of informeel/ Ontmoetingen/ Getallen/ Landen en Hoofdsteden/ Werkwoorden/ Provincies en Hoofdsteden/ Feestdagen en Vrije dagen/ Het lidwoord/Het alfabetDe markt/ Een recept maken/ Winkelen.

 

 

  • Sport en hobby’s /Tiempo libre

  • Familie/ La familia

  • Welke sport beoefen je?/ ¿Qué deporte practicas?

  • Describir la rutina diaria/het dagelijkse leven beschrijven

  • Wanneer en hoe vaak (frequentie) tijdsduur uitdrukken

  • El pasado/ de verleden tijd

  • Het weer/ el tiempoel tiempo
  • Met iemand afspreken/ quedar con alguien

  • Een telefoongesprek voeren/ una conversación telefónica

  • Een voorstel aannemen/afwijzen/ Aceptar o rechazar una proposición

  • De agenda in nederland/la agenda en Holanda

  • Zeggen wat er nu gebeurt/ decir lo que está pasando

  • In een hotel reserveren/ reservar en un hotel

Hoe leven Nederlanders?/Aandacht voor vroeger/ wonen (inrichting)

Cómo vivían los holandeses antes? El pasado/ La vivienda

Grammatica: het imperfectum en "er" (voorlopig subject)/Trappen van vergelijking

  • Een klacht/oorzaak beschrijven/Descrpción queja/causa
  • Uitleg vragen geneesmiddelen/ Pedir explicación 
  • Een afspraak maken/ Hacer una cita
  • Lichaamsdelen/Las partes del cuerpo/ en el hospital
  • Uitdrukkingen lichaamsdelen/Proverbios con partes del cuerpo

Grammatica: Conjuncties omdat/en/want en Gebiedende wijs/ Imperativo, 

Op vakantie

  • Voorbereidingen/meenemen op vakantie/ Preparación/artículos a llevar de vacaciones (vocabulario de viaje)
  • Kranten en tijdschriften/periódicos y revistas
  • Klachten/ Quejas

Grammatica: het passivum/Voz pasiva

Het verleden /Pasado

In dit hoofdstuk zien we sommige gelijke facetten van de themas die we zagen in hoofdstuk 7,8,9,10 en 11 maar we trachten de woordenschat uit te breiden vanuit een ander oogpunt.

En esta unidad veremos algunos aspectos de los temas vistos en las unidades 7,8,9,10 y 11 pero intentamos aumentar el vocabulario y/o tratar el mismo tema desde otro punto de vista.